Van de geleerde en de vreemde snoeshaan
![]()
- ‘Bestaat God?’, vroeg de vreemde snoeshaan aan de geleerde.
- ‘God is een irrationeel begrip’, antwoordde de geleerde, ‘Hij past niet in een evolutionair, darwinistisch systeem, want welk mechanisme zou Hem hebben voortgebracht?’
- ‘Waarom geloven de mensen dan in een God?’, vroeg de vreemde snoeshaan.
En de geleerde zei: ‘Omdat God niet bestaat, hebben wij, mensen, Hem uitgevonden en we hebben hem ontelbare namen gegeven en laten Hem in vele gedaanten opdraven.’
- ‘Zijn mensen die wel in een God geloven en zich goed voelen bij de gedachte dat ze ooit in een hemel zullen komen dan dom?’, wilde de vreemde snoeshaan weten.
- ‘Laat ik zeggen dat ze nog niet helemaal verlicht zijn’, preciseerde de geleerde en hij voegde er nog aan toe dat geloof en godsdienst pas gevaarlijk worden als ze echt door groepen mensen georganiseerd worden, omwille van macht en het eigen grote gelijk.
- ‘Maar wat is dan de zin van het leven?’, mijmerde de vreemde snoeshaan.
- ‘Dat is een zinloze vraag’, beklemtoonde de geleerde, ‘want ze houdt in dat er een doel moet zijn, dat iemand een bedoeling heeft met ons, en dat kan alleen maar een opperwezen zijn en dat is er niet.’
- ‘Dat ik besta is dus gewoon een ongelooflijk toeval’, bedacht de vreemde snoeshaan, ‘en het was al een toeval dat mijn moeder bestond en dat mijn vader bestond. En het was toeval dat die twee elkaar gevonden hebben, dat een van de vierhonderd eicellen van mijn moeder een van de biljoenen zaadcellen van mijn vader heeft ontmoet. Dat is al een kans van één op oneindig. En die moet ik dan nog eens vermenigvuldigen met de kans dat mijn grootouders en mijn overgrootouders, enzovoort. Dat ik besta is dus een kans van oneindig tot de macht oneindig en heeft geen enkele zin.’
De geleerde knikte.
De vreemde snoeshaan glunderde: ‘Ik ben blij dat ik besta, dat ik een winnaar ben in de loterij van het leven.’
Nog geen seconde later vroeg hij zich reeds af welke de winst zou kunnen zijn die het leven kan opleveren.

